De Poets

In een andere tijd, toen ik ook nogal krap zat, plukte ik van het prikbord in de grote supermarkt een strookje met een telefoonnummer voor het verrichten van huishoudelijk werk. Ik werd officieel op sollicitatie-gesprek genodigd en kwam terecht bij een oudere man, een rasechte schapekop die ik een jaar later adopteerde als zijnde 'opa'. Naast hem op de oude versleten leren bank die later inderdaad van straat bleek te komen, ooit door hem zelf er nog vanaf geplukt, zat een hittepetit, met hoogblond haar, sjiekdefriemel te wezen met gelakte nagels en een pruimenmondje om echt u tegen te zeggen terwijl ze mijn jongere zus had kunnen zijn. Een vreemde combinatie in de bedompte huiskamer van het monumentale pandje uit 1760 met een bijeen vergaard meubilair, een stokoude TV en een stinkende gaskachel onder een echt antieke schouw waar een ketel aan een ketting hing voor de Delfts blauwe tegeltjes die een kapitaal waard bleken. -Opa vertelde dat er al wat zogenaamde kenners waren langs geweest die zijn pand wilde kopen, want die tegeltjes waren echt origineel. Na de derde ' kenner' liet hij onbekenden niet meer binnen.-
Ik ging er iedere week een ruime 4 uur heen, deed zijn boodschapjes -lekker happies- bij de Aldi en kocht altijd gegrilde kippetjes of kibbeling om samen aan het formica tafeltje in de keuken op te snoepen samen met B-merk oploskoffie tijdens de pauze die ik mezelf toestond. Verder sopte ik zijn huisje van boven tot benee, hielp ik hem met het zoetjes aan uitzoeken en opruimen van de spulletjes van zijn overleden vrouw. Dat lag te verteren in de kasten na het 'maar bewaren', 12 jaar lang. Ik heb geen smetvrees, ik verlang in eigen huis en tuin terrein alleen enige orde en netheid, dus ik ben ook niet zo'n poetsmadam. Ook hier word ik ieder jaar wat makkelijker, zeker afgelopen jaar. Van de zomer had ik minder tijd en durfde van al mijn gasten te vragen erop te letten dat het kleine huisje niet hetzelfde werd als de composthopen in de moestuin. Nu vraag ik Marc hier en daar de handen uit de mouwen te steken in huis, want ik heb het net zo druk en meer tijd nodig voor mijn ding; werken voor dat minimale loontje en schrijven. Bij opa zat het ritme er wel in en had ik steeds meer tijd voor de man zelf, steeds minder poets en steeds meer kleindochter. De hittepetit die me zo officieel op gesprek vroeg was een buurvrouw van drie panden verderop, ze voelde precies hetzelfde voor opa, noemde hem ook zo, en deed alles om de man van de eenzaamheid en vervuiling te redden. Maar zelf Poets worden ging hittepetit natuurlijk te ver in haar posh gerenoveerde monumentale pand. Deze rij oude panden staan aan het zo lieflijke oude pleintje dat langzaam maar zeker zijn identiteit verloor door wat lage nieuwbouw voor de werkende klasse. In opa's ogen alleen maar vreemdelingen en die mochten zijn huis niet soppen. "Hij mos geen hoofdoekie met een brabbeltaal". Ook de 'kinderbewaarplaats' was een teken des tijds voor de oude man en hij zag met lede ogen aan hoe hij als enige z'n stoepie veegde en de deur gewoon open liet staan, wat resulteerde in een leeggeroofde hal waar wat aardige prenten hingen en een antieke kandelaar. Hittepetit bleek best een aardige meid, maar hittepetit is ze al die 5 jaren gebleven. Ik was volgens haar zeggen opa's poets, niks geen interieurverzorgster, kom op zeg, gewoon 'de poets'. Ik stopte bij opa toen ik bij Marc in ging wonen en inmiddels een full time baan als hovenier had, de zwemvereniging en het koor, het was niet meer te combineren. Ik heb opa nog wel geholpen met het krijgen van thuiszorg, uiteraard een rasechte Dordtse, geboren en getogen, die ook wat medische zorg kon verlenen. (Gouwe meid, ze houdt me nog steeds op de hoogte van zijn wel en wee.)

Een nieuwe tijd en weer wat krap bij kas, om het zachtjes uit te drukken. Ik ben hovenier, heb mijn certificaten als boomverzorger, ben autodidact-leerling huisschilder en verhuis meubels als het moet. Maar ook voor een promotie als poets draai ik de handen niet om. Twee weken terug liep ik en passant het pole d'emploi (arbeidsbureau) binnen en viel ik met mijn neus in de poetsboter. Voor 2 uur per week aansluitend op het ritje naar de markt.
Vandaag mijn eerste dag poetsen, de eerste kennismaking en alles te nieuw in een zo andere setting dat ik geen tijd had voor bovenstaande herinnering; ik ben weer poets. Nu zou ik het in Nederland voor geen goud meer gaan doen. Ook niet zwart, zoals voor opa. Ik zou het nooit meer zo treffen als bij hem. Maar hier? Ik had geen idee. Kom ik bij sjiekdefriemel terecht? Ga ik poetsen voor een hittepetit? Ik probeer tijdens het zoeken naar het gehucht me er allemaal geen voorstelling van te maken, meestal werken verwachtingen nogal averechts. (Aanrader als u veel verwachtingen hebt, met name van uzelf; gooi ze allemaal overboord, er gaat een heerlijke en mooie wereld voor u open!)
Het huis vinden is al een halszaak. Als je hier de gemeente binnen komt wil dat niet zeggen dat je er bent. Een gemeente kan veel dorpjes bevatten, de mijne kent er 6. Rondgestrooid lijken de boerderijen die misschien wel bij een gehucht horen, maar in de buurt hoeven ze niet te liggen. Zoals ons huis hoort bij een gehucht 4,5 kilometer verderop op het plateau. Zo ook moet ik het gehucht zien te vinden dat een huis heeft, ergens, met haar eigen naam. In het dorp vraag ik een man waar ik het gehucht kan vinden, hij vraagt of ik bij mevrouw Ravelac moet zijn, ons kent ons, ja, daar moet ik heen. Verbaasd kijkt hij niet, de Rode met die blonde erin is een bekende verschijning. Dat ik klusjes doe ook, dus ben ik voor die man al gelijk de gevraagde hulp-in-de-huishouding. Voor alsnog heet ik nog geen poets, naar dat ik weet hoor, hou me ten goede. Ik rijd spreekwoordelijk het dorp uit, de polder in. Het plateau is heuvelachtig en er wordt hier echt alleen maar in het klein geboerd. 'De bordjes volgen en na een grote stal aan je rechterhand links aanhouden.' Die stal was makkelijk met zijn in zeegroen verpakte strorollen voor de enorme schuifdeuren. Maar zodra ik langs een laatste boerderij rijd, ben ik de bebouwing voorbij. Op het ho-ijzer dan maar en even keren, waar ik bij die laatste boerderij op het bordesje een dame zie staan. Tis toch een vrouw? Ja. Ik draai het raampje open van de Rode en roep vragend "Madame Ravelac?", ze wuift me knikkend toe. Gelukt! Hier zijn geen straatnamen met huisnummers en de boerderijen liggen verspreid in het landschap, vaak onttrokken aan het oog door een heuvel, een bocht in de weggetjes of een plukje bos. Een adres zien te vinden is vaak geen makkie, op de eerste werkdag permitteer ik me niet om te laat te komen en een routebeschrijving in het Frans aan de telefoon sla ik voorlopig even over. Die gaan altijd gepaard met van die aanwijzingen als 'bij de grote eik rechts, na het gebouw met de bruine deuren links, rechtdoor na de schapenwei, na het 3e karrenspoor aan uw linkerhand rechtdoor blijven rijden tot het eerste bospad aan uw rechterhand, bij het stenen kruis links, daar is het.'
Dikke witte eenden scharrelen wat rond, een zwarte stok oude labrador blaft me een welkom -als ze kwispelen is het meestal wel ok, maar eerst wordt er gevoeld wat de baas voelt- de moestuin is zo goed als leeg en ligt er strak onderhouden bij en de rest ontgaat me, want ik moet naar binnen om het onbekende aan te gaan; werken bij de mensen thuis. De boerin, mevrouw Ravelac, is no-nonsense, zij regelde mij en zij is de baas, terwijl ik onder contract sta bij het arbeidsbureau. Het kleine halletje heeft links en rechts een deur en rechtuit is de trap naast een tafeltje met kunstbloemen, er ligt een krant naast. Ik volg mevrouw de woonkeuken in. Die is gigantisch groot met een traditionele schouw die de hele achterwand beslaat waar het fornuis in staat. De andere wand heeft boven het aanrecht ramen met vitrage ervoor. Links de ramen met zicht op het erf dat met ronde keien is bestraat waar fijn kort gras tussen groeit, er staan twee bankjes tegenaan waar een oude man op zit, onderuit gezakt, maar hij komt overeind als ik de keuken binnen kom. Op het puntje van een lage bank, die altijd bij zo'n enorme eettafel passen en een zitplaats bieden aan de hele familie, zit een oud dametje in bloemetjesjurk, duidelijk pa en ma, tegen de tachtig schat ik zo. Handen worden geschud, namen gegeven, het contract vouw ik uit op tafel en het urenbriefje. Heel kort neemt de boerin het door en troont me mee naar boven, laat me 1 kamer zien en zet me aan het werk. Heerlijk, no nonsens. Ik neem wel de vrijheid mijn schoenen uit te trekken, die modderdingen aan en een badkamer schoon maken lijkt me wat vreemd. Maar ik zie dat ze dat toch wel erg raar vinden, jammer dan, ik werk op m'n sokken. De stopcontacten werken niet allemaal, dus de stofzuiger heeft een verlengsnoer. Wel logisch als ik naar de contactpunten laag bij de hoge plinten kijk. Die zijn allllang verboden in Nederland. Net als de gedraaide elektriciteitssnoertjes van de lampen aan de plafonds. Er is niets te veel. Bedden met lakens en dekens, zelf gebreid vermoed ik. Op iedere kamer een bed, een nachtkastje, een kledingkast, een stoel, dat is alles. Op 1 kamer ontwaar ik een wekker, een moderne met digitale weergave en een radio. Juist dat nachtkastje met die wekker stoot ik om, klabam. Niks erg, de wekker geeft nog steeds de juiste tijd aan. De facetramen met stokoude maar oerdegelijke verf zijn ook vies te noemen. Ze verstoppen zich achter vitrage die niet zijn gestikt aan de onderkant, ach wat geeft het, no nonsens. Onder de bedden is het grijs van het stof, de wolken verdwijnen in de gretige stofzuiger en beneden kunnen ze iedere stap die ik zet volgen. De enige kamers die gebruikt worden verraden zich door de deuren die rond de klinken zwart zien. Als je katten hebt die deuren van hun kier afhalen door ze met de kop open te duwen krijg je dezelfde zwarte vette aanslag. De leukste ontdekking zijn de lampen aan het plafond. De eerste die ik onder handen wil nemen lijkt van porcelein. Zo'n bloemvorm op z'n kop, beschilderd met bloemen op een witte ondergrond. Ik pak een stoel om erbij te kunnen en pak zo voorzichtig mogelijk de kap vast. Plastic! Ideaal en functioneel, no nonsens. De kamer in, kleren uit, onder de wol, licht uit en slapen. Waarom moderne spullen als dit gewoon werkt en voldoende is? Ook de geribbelde bolletjes in de gang boven blijken van plastic, wat een poetsfeest, makkie.
Toch werk ik me twee uur een slag in de rondte. Ze woont in bij haar ouders, heeft een groot boerenbedrijf, werkt zich een slag in de rondte en komt aan het huishouden niet meer toe. Om zo bij de mensen thuis te komen, hen ook thuis te leren kennen in plaats van opgedoft tijdens een dorpsfeest, is een leuke kant aan het werken voor het arbeidsbureau. Zo'n eenvoudig huishouden komt me vreemd voor. Er is niets aan tierlantijntjes, niets aan schilderijtjes, aandenken of decoratie, niets! Het maakt van het huis bijna een filmdecor, maar zelfs dan zou je denken dat er iets niet klopt. Toch leeft het huis, woont er een complete familie, heeft het een lange geschiedenis dat alleen uitgeademd wordt door de muren, het zeil op de badkamervloer, de plastic lampen aan de gedraaide verouderde snoeren en de gebreide kleden op alle bedden. Ondanks dat ik een buitenlander ben die de rotklusjes mag opknappen tegen een laag loon dat voor de helft op gaat aan diesel naar die veraf gelegen adressen, voel ik me gepromoveerd tot Poets.

Stommiteit

Ann staat te rommelen aan de werkbank in de schuur als ik haar gedag ga zeggen. Ik heb me lekker fris gedoucht na een haast kleverige nacht in klamme lakens. Ja, we zijn weer doorgezakt vannacht. Met drie Britten kan ik er haast niet omheen en het is vermoeiend maar erg leuk om zo verwend te worden. Vorige week verloor ik een vriendschapsarmbandje van de dochter van vrienden die hier wat weken geleden heel even te gast waren. Ontroostbaar ben ik niet, maar ik wil toch mijn best doen het terug te vinden. De duik die ik nam met de Britten in het meer vorige week was de boosdoener en de zware kraaltjes lieten het als een steen zinken en uit het oog verdwijnen, modderig als het was door al dat gespetter van mens en dier (Castel).
Ik neem mijn Crocs mee, een tasje met telefoon, handdoek, camera en flesje koud water. Samen met Castel hobbel ik het stalpad af en ik weet nog niet dat deze mooie zomerochtend de grootste stommiteit ooit zal begaan sinds ik hier woon, nietsvermoedend noemen ze dat. Het riviermeer heeft het laagste peil dat ik ooit zag, het is 10 uur in de ochtend en nog net fris in de schaduw. Het wordt weer een warme dag. Ik trek mijn goed uit en mijn crocs aan, leg mijn tas en kleding in de schaduw tussen de bloeiende wilde munt waar enorme oranje vlinders elkaar bevechten voor de nog frisse nectar van de fijne pluizige bloemetjes. Ik ploeg me door de hoge oeverbeplanting heen naar de oever die nu zanderig steil afloopt, waar normaal water staat als het meer gevuld is. Nu is er dieper gelegen de oude loop van de rivier die kabbelend de stenen beroerd en een rustgevend geruis laat horen. Een reiger vliegt op van één van de dode bomen omdat Castel het nodig vindt te kijken of ze die vreemde vogel op hoge poten misschien vangen kan. Het is heerlijk even stiltetijd te nemen tijdens het gezelschap van drie vakantie vierende gasten die werkelijk alles doen om mij te helpen, me in de watten te leggen en te verwennen met cadeaus en fantastische maaltijden met ingrediënten van uitmuntende kwaliteit, daar waar deze regio toch bekend om staat.
Wonderlijk genoeg vind ik het armbandje met de zwarte kraaltjes heel snel, wat weggedrukt in bijna zwarte modder in de schaduw van een steen en de stroming, het maakt me heel blij en het gemis helemaal goed, maar dit zoeken naar iets materieels vertroebelt ook mijn instinct, mijn voorgevoel waar ik altijd zo prat op ga. Ik spoel het armbandje schoon en doe het weer om, dit keer achter de grove leren armband zodat ik het in het vervolg minder snel zal kunnen verliezen.
Al dagen is het niveau onveranderd laag, meer een rivier dus eigenlijk waar je alleen tot je enkels diep hoeft te waden om de overkant te bereiken. Ter hoogte van m’n huisje 80 meter lager maakt de rivier met zijn rotsige oever en bodem van ronde keien een bocht naar links waar het weer met een bocht naar rechts al eeuwen een weg vindt door de diepe kloof. Alle gele borden met tekst en uitleg en in grote rode letters ‘DANGER’ staan er niet voor niks. Daar waar je bij het water kan komen, niet hier, want alleen een paadje dat de reeën maken kan ons mensen naar het water brengen. Ik heb het oh zo vaak uitgelegd; als ze de turbines open zetten treedt er letterlijk een tsunami-effect op dat zelfs de grootste volgezogen oude bomen die al decennia als drijfhout dienen met zich meesleurt, geen zwemmer zal het overleven als je erdoor overvallen wordt. Ik heb er filmpjes van op mijn YouTube kanaal en daarnaast heb ik vele malen staan bedenken aan dit schitterende stukje van mijn ‘achtertuin’ wat te doen als ik aan de overkant loopt te struinen - wat ik tot op heden nog maar een paar keer gedaan heb - en de EDF de turbines open zet. Scenario’s; ik ben altijd zeer alert, ik haal het rennend wel. Of ik klim naar de weg toe - die nu is weggespoeld – en ga te voet over de asfaltweg. (Daar zou ik minimaal 3 uur over doen.)
Al struinend op crocs met een blije Castel waad ik naar de overkant, zie een ree wegsprinten die Castel gemist heeft omdat ze druk doende is met drijfhout en laaf me letterlijk op dit verder stille plekje dat eruit ziet als een prehistorische scene, een groepje grotbewoners zou hier niet misstaan vissend met speren. Het zachte geruis van water over de keien klinkt opeens ietsjes harder en opeens besef ik me dat ik al te laat ben, de stommiteit is begaan; mijn tas ligt nog tussen de munt en de vlinders (met telefoon!) naast mijn kleer en aan de overkant een paar honderd meter terug. Ik ren over de ronde wat glibberige keien om in de bocht te kunnen zien hoe hard het stroomt. Nog even heb ik de hoop dat de turbines niet voluit open zijn gezet, fout! Ik zit vast, op mijn crocs met drie armbanden om en Castel die nog denkt dat het leuk is, zo wandelen met de baas, poedelen, drijfhout voor een stuk wild aanziend….
Even is er flinke paniek, ik vervloek mezelf dat ik zonder tas en kleer mezelf naar de overkant bewoog al dromend, denkend dat ik een holbewoonster ben ofzo. Ik weet niet wat me bezielde. Nu komt het erop aan. Om te doen wat ik al zovele malen bedacht had als ik me zou laten verrassen door de EDF ondanks al mijn zintuigen op scherp. Ik zal me al traverserend een weg moeten banen en zoeken richting de bruggen, daar waar de twee bergriviertjes samen komen met de berg in het midden uitgehold en gevuld met turbines. Hoe dichter bij dat punt hoe groter de kans dat er een stuk van de rivier ondiep genoeg is om veilig terug te waden om daar dan weer al traverserend naar huis te lopen.
Al snel merk ik dat ik mijn eigen ‘Olympics’ heb gecreerd, hier alleen een heel dun wildspoor dat ik kan volgen met Castel die heel erg op me let en steeds terug komt om te laten zien hoe zij kan lopen, op vier brede poten weliswaar, ik in mijn nakie met crocs aan mijn voeten. (Waar ik de blauwe wolkenloze hemel voor dank!!) De noordelijke oever is veel ruiger en steiler dan de zuidkant, natter en met het vochtige mos van de nacht, de losse rotshellingen waar nog geen mens mij voorging vol met brandnetels, bramen, stokoud dood hout, scherpe lavarotsen met meters en meters onder mij een kolkende rivier. En toch als een holbewoner-op-crocs begin ik aan de slopende tocht naar het oosten om een smal stuk te vinden dat diep genoeg is om het water meer ruimte te geven zodat de stroming minder snel is. Misschien heb ik daar het lef naar de overkant te zwemmen, wat meer ‘je mee laten sleuren’ zal worden, maar a la. Dat zit me heel erg tegen en sommige kliffen die ik onderlangs benader moet ik terug om de helling te beklimmen om aan de andere kant van de klif de oever weer op te zoeken. Ik kan goed zwemmen, ben lenig en sterk, deed wat jaren aan klimsport, maar dit voelt als een tocht op leven en dood, één verkeerde stap en word letterlijk verzwolgen. Nee, het was niet leuk en toch;
Als een lichtvoetig dier op twee poten baan ik me relatief snel een weg langs de oever, omhoog en weer laag half door het water me vast houdend aan de rotsen en stenen, nee, geen mens die hier ooit kwam, dat kan gewoon niet. Ik voel de brandnetels niet en de bramen weet ik te vermijden. Adrenaline en endorfine maken het me makkelijk, ik kan het als een uitdaging zien om via welke route dan ook de overkant te bereiken; mijn thuis waar ik de rotsen wel ken, de stukken waar ik aan de waterkant kan blijven of me het dichte bos in moet wurmen. Bij de aardverschuiving (zie Open naar Frankrijk/Archief april 2012) rust ik even uit en kijk omhoog, het is nog lang niet ‘uitgeschoven’, komende jaren zullen er nog vele rotsen en bomen volgen samen met aarde en zand, misschien nog stukken asfalt die halverwege zijn blijven steken. Ook hier is de doorgang naar de overkant heel smal, misschien een 20 meter, maar te ondiep wat de stroming te sterk maakt en relatief hoge golven geeft. Helaas, ik moet door terwijl mijn benen door de schrik en de inspanning al gaan trillen. Uiteraard liet ik mijn ochtend eitjes voor wat ze zijn, dus mijn lege maag heeft de verzwakking van mijn spieren versneld.
Het is moeilijk te omschrijven wat er door mijn lijf en hoofd gaat die paar momenten dat ik een pauze hield om kracht te verzamelen om verder te gaan. Ik ben al kei kapot als ik bij de aardverschuiving sta en moet verder, een onbekend aantal meters, kilometers? Naar het begin van het lang gerekte stuwmeer en na elke bocht, als ik zicht heb op de volgende in de meanderende kloof zie ik weer die golven, wit schuimend, te ontdiep, levens gevaarlijk! Verder en verder.
Mijn handen trillen, niet een beetje; bloedsuiker tekort en of uitputting. Mijn benen voelen hetzelfde als ik op een mooie grijze ronde rots ga zitten met een natte hondenkop op mijn knieën en ik naar het water kijk. Ik leg mezelf een kwartier pauze op, wat ik niet kan timen, want mijn mobiel ligt een kilometer verderop in een tas in de schaduw en ik draag al 20 jaar geen horloge meer. Ik kijk naar het water terwijl de zon brandt en vliegjes om me heen zoemen in de hoop wat van het zweet te kunnen snoepen. Ik laat ze, maar blaas ze weg als ze uit mijn ogen willen drinken. Dat de hond of Cros dat prima vinden, moeten zij weten, maar ik kan niet tegen de kriebel die het oplevert. Ik voel en denk, ik kijk naar de strak blauwe hemel en kijk naar de stroom, probeer te bepalen of ik het red naar de overkant voor de bocht die een 80 meter verder me het zicht ontneemt over de rest van de kolkende watermassa waar ik langs ben geklommen. Hier is het diep wat de stroming afzwakt, maar dan nog! Castel wil ik me niet laten volgen ALS ik de moed en het gezonde verstand vind hier te water te gaan om de stroom me naar de overkant te laten brengen met enige bijsturing van armen en benen.
Ik denk aan mijn gasten die toch ook wel moeten voelen dat er iets mis moet zijn. Voor mijn gevoel ben ik al uren weg. Wat zouden ze doen? Als ze 112 bellen en mijn spullen vinden - Ann weet waar ik mijn armband verloor en zal daar mijn tasje en kleding aantreffen. - gaan de pompiers zeker weten zoeken aan de westkant van het meer richting de waterinlaat die het water oppompt naar het recervoir op de berg waar ik nu onder zit, maar dan wel kilometers de verkeerde richting uit. Ik dwing mezelf dit los te laten, eerst het vege lijf redden. Wat voel ik, hoe voel ik me, wat zegt het woeste water me, het lonkt, want de zon brandt door, mijn lijf is verhit en enige kracht vloeit terug samen met het verlangen naar huis te kunnen om me te douchen, mijn verhaal te schrijven, mijn werk voor deze middag af te zeggen, als ik het haal tenminste, geen idee. Verder stroomopwaarts ziet het er nog slechter uit, ik sta op en ga weer zitten, sta weer op en zet twee onderbenen in het water. Ik draai me om om Castel instructies te geven dat ze ‘moet blijven’, maar mijn hond kent zulke commando’s niet, waarschijnlijk heeft het geen zin.
Ik laat me zakken en zet af, hap naar adem want dit water is erg koud en maak de sterkste slagen die mijn spieren nog aankunnen. Apart genoeg gaat mijn lijf, al happend naar adem, zo diep mogelijk voor wat spierkracht extra, schuin naar de overkant. Recht naar de overkant was het misschien 30 meter, maar zoals de stroom me meeneemt ‘zwem’ ik zo’n 300 meter waar ik als een eend die landt op het water probeer af te remmen om op een droge warme rots uit te rusten. Ik kan me dan pas omdraaien om te kijken naar Castel die misschien piepend en blaffend machteloos nog aan de andere oever staat, zenuwachtig voor de barriere van dat water tussen ons in. Maar ze ‘drijft’ al voorbij, dicht langs de zuidkant en ik moedig haar aan vol te houden. Ze ‘spoelt’ aan een 100 meter verderop waar ze gelijk kwispelend mijn kant op komt om me te begroeten. Ze kijkt heel blij, zou ze ook echt blijdschap voelen en het gevaar onderkennen?? Ik in ieder geval wel. Stomme trut die ik was!
De emoties die nu vrij komen zijn me onbekend. Ik ben zo ontzettend onder de indruk van dit gebeuren. Ik ben al veilig aan mijn kant van het meer, dat is meer dan de helft van het redden van mijn vege lijf, maar dan nog. Ik voel mijn benen amper meer en toch dragen ze me, weer traverserend over de iets minder steile oever. Ik voel me hemels en tegelijkertijd het grootste uilskuiken ooit. Ik voel me sterk en tegelijkertijd ben ik volledig uitgeput. Ik voel me energiek en ziels gelukkig en zo ontzettend dom. Dat de natuur meer een vriend dan een vijand is kan dan wel een vaststaand feit zijn, maar zo dicht tegen de dood aan is dit een ontzettend vreemde gewaarwording. De energie die ik al maanden heb leek versterkt om me veilig thuis te krijgen, ik ben ontdaan en vraag me af hoe ik dit heb kunnen overleven terwijl ik het gemaaide paadje loop naar mijn tasje en kleding waar ik op het handdoekje zak en even niets kan doen. Niet denken en niet bewegen, niet handelen, niets…
Het hele avontuur kostte me maar 2 uurtjes, maar de nawerking een hele dag. Misschien wel langer, dat weet ik nog niet.
Het stalpad ‘all the way up’ naar huis is opeens een eitje. Ik rust niet eens uit, mijn adem zit nog hoog, mijn lichaam voel ik niet, ik ben diep gelukkig en tevens aangeslagen. Ik voel me haast onmenselijk en juist ook weer sterfelijk. Boven vraagt John me waar ik was en in het kort en Engels leg ik hem uit wat me ‘overkomen’ is. Ann is boos en bezorgd en zet me een croissantje en vruchtensap voor en dwingt me om te eten. Ik kan even niets meer, mijn handen trillen en mijn benen weigeren dienst. Na een half uurtje sta ik toch maar op om de zon te ontvluchten en binnen mijn werkgever te bellen dat ik vanmiddag niet kan komen. Morgen ben ik 2x duurder, dus zal ik pas donderdag mijn werk kunnen hervatten. Ik beloof het lieve oudere stel het donderdag allemaal uit te leggen en verontschuldig me. Ze zenden me een ‘biz’ wat me bijna in tranen doet uitbarsten dat ik zonder uitleg zoveel begrip krijg. Mensen zijn bijzondere wezens, allemaal!!
Na een douche en een homp brood zet ik me aan het schrijven. Mijn gasten lunchen en kijken af en toe naar mij om me te peilen. Dat is lastig, want ik voel me heel vreemd, ziek haast. Het enige dat rest is een onuitwisbare ervaring, dankbaarheid dat ik nog leef, een koorts die mijn lijf verzwakt en spieren die aanvoelen alsof ze door de mangel gehaald zijn. Ik kan het niet uitleggen, zeker niet aan mijn lieve vrienden. Ik voel me schuldig, dit had niet mogen gebeuren met gasten die niets hadden kunnen doen als het veel erger was geweest.
Het stomste, of gekste, of … ja wat.. is; Ik lach, ik ben blij, het was en is een diepe ervaring die nieuw voor me is. NIET voor herhaling vatbaar, maar wèl heel waardevol.
Ik ben onder de indruk……….

Simon

IMG ID=17]Vorige week vrijdag trof ik sinds twee jaar weer eens een briefje aan op het hek, een label van een nieuw paar wandelsokken, beschreven met het typisch kinderlijke handschrift van Simon.
Zijn - Britse - vader kocht in de vroege jaren 60 een ruine, een best goede ruine met een dak erop zonder gaten, een stromatras en nog wat oude rommeltjes. Voor de vakantie's later, met de kinderen. Er is een piepklein bronnetje vlakbij, maar dan heb je het gehad met de voorzieningen. Ook dit huisje was ooit een wijnboerderijetje geweest, in die jaren ook verlaten als een toekomstige behuizing voor de dieren in het bos en een wilde klimop die de voorkeur geeft aan het binnen groeien. Er is nooit elektriciteit geweest, het stond leeg gedurende die snelle industriële revolutie met daar bovenop een wereldoorlog of twee, daarna een gebrek aan mannen die als jong gezin een huis nodig hebben en ervoor kiezen om helemaal daar te gaan wonen als 'famille sauvage'.
De gorges is 'opgeleukt' met enorme hoogspanningsmasten, inherent aan een waterkrachtcentrale, schuin tegenover het turbinehuis dat het water op- en afpompt, het huis staat er net achter en onder. Alleen een steil rotsig pad dat het bospad verbindt met het eerste gehucht naast het kasteeldorpje maakt het bereikbaar, te voet of per ossenkar, iets anders bestond daar nog niet.
De eerste week dat de man alleen eens gaat kijken wat er aan opgeknapt moet worden en aan de slag gaat om enige orde te scheppen in de wildernis, droomt hij over hoe hij hier met het gezin naar toe zal gaan om vakantie te vieren, werkt hij hard in de hete zuid Franse zon, iets te hard wellicht. Halverwege die week staat hij op van het nog verse stromatras, maar valt dood neer, hartstilstand. Zijn twee zoons zijn nog jong en het huisje blijft daar staan om de klimop en de bosdieren te dienen.
Zo erft Simon, die later naar Australië emigreert, met zijn broer deze huisje waarvan het dak nog steeds intact is wat voorkomt dat het in een paar jaar een echte ruine is.
Eens per jaar komt hij een paar weken kamperen in dit huisje. Alle zware dingen die hij nodig heeft als eten en drinken, gereedschap, gasflessen en zijn bagage voor een maand vervoerd hij in een oude houten kruiwagen van dat gehuchtje naar het huis. Wat geen sinecure is, want eerst moet het slingerpad vanaf het gehucht gelopen worden met een kruiwagen bouwjaar 1956 om vervolgens door hoog met de hand slordig gemaaid gras geploegd. Toch kan dat Simon's pret niet drukken.
Elk jaar neemt hij zijn bad en douche in 'de badkuip' een kilometer voorbij mijn huis verder de wildernis in, 'de badkuip' is een hele mooie kleine waterval met een uitgesleten ronde kom met een diameter of 3. Zo neemt hij regelmatig het bospad om leven hier te bespeuren nadat het jaar en dag ook leeg stond.
Het sokkenlabel met telefoonnummer doet vermoeden dat hij nog niet weet dat Marc op reis is.
Zondagavond is er een vuurwerkshow in het rijkste dorp in de omgeving en er wordt hoog over opgegeven, dat belooft wat en omdat die Simon daar toch maar in zijn uppie zit, stuur ik hem per sms een uitnodiging om mee te gaan naar de vuurwerkshow en een drankje vooraf te doen bij Nadine. Ik typ duidelijk dat ik op hem wacht op het bospad, 2100 uur.

De man is 60, enigszins grotesk in zijn voorkomen, gebruind door die Australische zon. Simon neemt de tijd woorden te zoeken voor de meest eenvoudige zinnen, het kost hem moeite en mij hetzelfde en meer om gefocust te blijven en te volgen wat hij nu eigenlijk vertellen of zeggen wil. Het is een goede oefening voor mijn geduld.
Het is een man, een echte.
Want de tamtam werkt hier erg goed. Ook bij een Australiër die een paar weken per jaar in zijn krot zit, verstoken van enig comfort. De 3 dagen dat hij in de Auberge verbleef om van zijn jet-lag bij te komen heeft hij blijkbaar bij gepraat met alle mensen die hij tegenkwam. Dat weet ik zondagavond nog niet en het maakt me nieuwsgierig hoe snel nieuws zich verplaatst naar werkelijk alle uithoeken. (Daarin tegen krijg ik geen roddel en achterklap, want zomaar een uur in het café gaan zitten om op de hoogte te blijven van het lief en leed lukt me nog niet.)
Ik sta dus om 9 uur op het bospad te wachten waar het wandelpaadje omhoog kronkelt. Maar ik wacht daar zo een 10 minuten, geen Simon. Hij stuurt me een antwoord op mijn sms-je of hij nog komt, 'dat hij met hapjes en een wijntje op mij zit te wachten in zijn huisje'. Er gaat een alarmbelletje bij me af.
De zon is rond die tijd toch echt al ver achter de bergen weg gezakt, ik loop op mijn paasbest in straatschoenen. Niet echt geschikt om het stenige rotspad te belopen en al helemaal niet om het verwaarloosde paadje te bewandelen waar ik na ettelijke bochten een geïmproviseerde hap aan zal treffen.
Ik ben geen zeur en eet alles, maar tegen de schemering aan een half uur op en neer... Domme blonde toch vermoeide Tien doet dit dus wel, zwaaiend met een handtasje, warme kleer, want in het dal van de rijke gemeente waar het feest in volle gang is, is het koud, zeker 's avonds.
Simon hebben wij leren kennen als een wat trage grote kerel met verward grijzend zwart slaghaar dat altijd net te lang is, ongeschoren -ja, die man heeft ook vakantie- vieze oude kleer -ja, wat wil je in een bestoft krotje dat bewoond wordt door muizen en hun gevleugelde equivalent.- drinkt graag wijn, te veel en nog sjieke wijn uit een fles ook, terwijl hij zware dingen te voet moet versjouwen.
En terwijl ik toch de wandeling maak komt de vraag al; wilde hij me niet begrijpen door me te vragen helemaal naar boven te lopen (geen kleine moeite!) tegen de schemering aan om gezellig te snacken en dan in het donker misschien... toch naar dat vuurwerk te gaan?, af te dalen in het donker zonder maanlicht nog op dat moeilijke pad, of is die man al op de hoogte, heeft hij op zijn briefje op het hek gedaan alsof zijn neus bloedde en houdt hij zich van de domme om me 's avonds laat naar dat krot te lokken.
Want het is en blijft een man, een echte, waarin gespeelde onschuld wel een plekje heeft.
En sodeju; ik heb dat foute grote zwarte superscherpe mes niet bij me dat ik juist kocht voor deze momenten van voorkennis van onbekende oorsprong die als je ze negeert meestal moet bekopen met ongeluk en ellende.
Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
((Tijdens deze wandeling over dat oneffen paadje schiet me ineens een lachsalvo van B te binnen die met zijn vriendin mij vereerde met een bezoek ditzelfde weekend. Die kwam voort uit zijn vraag hoe het zich ontwikkelt dat ik hier als meid alleen woon en de locals ook niet achterlijk zijn en hij kent mannen, hij is er zelf één. Hij weet van mijn voorliefde voor handwapens, welke dan ook. Gedurende al die uren dat we gedrieën tafelen, lachen, wandelen, delen, uitwisselen, weten ze ook dat ik jaren aan full contact karate heb gedaan bij beruchte dojo notabene. Ook dat mijn reflexen nogal snel zijn, dat mijn instinct prima werkt en hebben ze alle wapens gezien die her en der in huis rond slingeren. Zodra B de optelsom maakt schiet hij in een deuk over die arme mannen met toch echt verkeerde intenties die het lef hebben me te treffen op een verkeerd moment.))
Nogmaals, een gewaarschuwd mens telt voor twee en Simon is niet gewaarschuwd, och goshie.
Met moeite trek ik pas gemaaide bramenslierten uit mijn nette broek als ik de laatste 100 meter afleg naar dat verstopte huisje met tijdelijke bewoner, toerist, maar ook weer niet.
Ik hoop nog even hem aan te treffen als vanouds; stinkend naar het zweet bij gebrek aan een douche, heel klein beetje beschonken, hij heeft nog wel enig decorum, maar alles behalve een verleiding voor mij en zeker na het bijna te aangename bezoek van de afgelopen 20 uur, jong, aantrekkelijk, lief en sprankelend.
Maar nee hoor, meneer staat met een net ingeschonken schoon glaasje rode wijn op me te wachten. Komt zo te zien net bij de coiffeur vandaan, heeft daar ook zijn wenkbrauwen laten doen en zich laten scheren. Simon riekt naar iets sjieks uit een flesje zonder verstuiver, het zit er ruim op. Gekleed in een wel heel schone broek, er zit nog net geen vouw in, een denim blouse die wel nieuw lijkt en een donker oranje wollen colbert, breed lachend met zelfs gepoetste brillenglazen, zijn blote voeten in donker groene crocs stevig op het platgetrapte gras voor het huisje met overal emmers, teiltjes, een tafel van een gescheurde plank die op een steen en een hakblokje steunt.
Maar goed, op een nog sjiekere stoel die haast als een troon zit in de vieze slordige zwerversbende geniet ik toch van dat wijntje, probeer me weer te concentreren op die zinnen die heel traag gevormd worden en er wat verwrongen uitkomen alsof hij hersteld is van een hersenbloeding en opnieuw heeft moeten leren praten. Zijn poging om een gentleman te zijn en me degelijk te ontvangen in zijn beste goed met de voeten in Crocs gestoken, gaat hem best goed af, mag gezegd. De hapjes is een meloen in slordige stukken en plakken, worst met een velletje dat ik met geen mogelijkheid kan scheiden van de worst erin en onverteerbaar in mijn mond ronddwaalt met een half gesmolten geitenkaasje met bruine rand, ah jakkes. Met moeite slik ik het geheel door. Ik ben best assertief, maar om dit nou uit te spugen, nnnnnee. Langzaam wordt het donker en we moeten dat pad nog af terwijl hij heel rustig van zijn wijntje geniet en de zinnen vormt die wel een lijdensweg lijken geboren te worden.
En dan de nieuwe Tien weer door de bocht die hem onderbreekt en hem wijst op het feit dat ik op die schoenen nog naar beneden wil, geen lampje bij me heb en een afspraak heb met Nadine die me op komt zoeken als ik niet op kom dagen. Dit is niet zo, maar beter als met een groot mes rond gaan lopen. Wonderbaarlijk genoeg reageert hij door het bord met snacks snel leeg te maken en dat glaasje wijn natuurlijk, om toch maar even de fles nog snel te legen (in zijn glas) en het snel leeg weg te zetten in de verrotte vensterbank van het getraliede raam. Met het kleinste zaklampje dat ik ooit zag zijn we naar de auto gelopen en naar de vallei gereden.
Koud, Nadine is natuurlijk nergens te vinden, want het is donker en heel erg druk, ik ben te laat voor een begroeting, het huis is leeg dus de hele familie loopt al in de menigte. Dit wat achterhaalde prestigieuze dorp is tijdens zo'n dorpsfeest een voor mij adembenemende toestand.
(Het contrast met geen dorpsfeest en winter en HET zomerseizoen is zo enorm, verpletterend en bijna stuitend en die moderne kermisherrie met als tegenhanger de 4x4 met aanhanger waarop drie oudjes op een stoel de echte Aveyronnaise ten gehore brengen op fluit, trommel en trekharmonica, al rondjes rijdend door het dorp inclusief versterking! ... is haast onbeschrijfelijk.)
Simon pikt mijn signalen erg goed op, het zijn misschien niet eens signalen, alleen mijn gedachten die ik sterk stuur, ze missen hun doel niet vaak, ook zonder dat ik ze onder woorden breng. Hij doet zijn best gewoon te doen, als getrouwde man op vakantie die met een dame naar een dorpsfeest gaat, maar ergens wel weet dat hij illusies koestert.
Maar goed, we lopen een rondje door het feestende dorp en ik kom niemand tegen die ik ken. Niet vreemd in het donker met kermis muziek afgewisseld door de aanhanger met de oude deunen die alleen leuk zijn als je als toerist naar zo'n feest gaat. Dat dat gejengel je behoor tegen kan staan zal iedere local je bevestigen.
De show is prachtig, maar de muziek ronduit slecht, geen verband, 4 losse popnummers die echt totaal geen connectie hebben met het feest, de zomer of vuurwerk zelf, de afsluiting van een leuke tijd.
Na het vuurwerk wandelen we door het parkje het kermisterreintje op.
((Geen excuses voor al die verkleiningen die ik gebruik, want tot op het wellness centrum aan toe is hier alles op kleine schaal.))
Nadine's familiehuis drupt langzaam vol en ik wordt als huis- en familievriend warm onthaald. De kinderen hebben 36 rivierkreeftjes gevangen gedurende de dag, een grote opbrengst en de lange tafel is gedekt voor 16 personen. Dat wordt een smulfeest gezien de salades en het nog geurende brood, het is inmiddels 11 uur geweest. De kinderen moeten me komen begroeten met hand en twee zoenen, er wordt in de bomvolle keuken gedanst als de speakers in het dorp op pop over gaan, omdat de ouderen naar het dorpshuis gaan voor de tombola. Dit is nu voor mij al 'gewoon' terwijl Simon vervuld is van het authentieke Franse gebeuren tijdens de lange zomer, betrokken bij het Franse familie-gebeuren dat zeker ons Nederlanders vreemd is. Zeker op deze schaal.
(Als ik een toerist zou zijn in het gezelschap van een expat die aardig leuk geintegreerd is, zou ik ook de belevenis van mijn leven hebben, zeker na HET jaarlijkse grote dorpsfeest.)
Simon laat zich meevoeren naar de pannen met kreeftjes, zet een dansje in als hij een halve vierkante meter ruimte heeft bemachtigd, de man is eenzaam, kan niet anders, zo sterk voel ik dit als ik hem in een flits observeer. Zijn vrouw komt een weekje mee bikkelen op de steile helling, waarschijnlijk kan ze vakantie krijgen in september als hij terug is van een bezoek aan zijn broer die nog in Engeland woont. Nadine haar man lijkt me direct te begrijpen als ik hem begroet en drie woorden spreek over 'mijn vriend', zoals men denkt.
-- Gisteren ga ik weer naar mijn werk; verven bij Nadine, daar leg ik haar en een nicht uit wie die Simon eigenlijk is. Ze liggen in een deuk als ik vertel hoe de uren verliepen voor dat we onze neuzen lieten zien in de helder verlichte keuken met de feestelijk gedekte tafel terwijl Michael Jackson door de gemeentelijke luidsprekers schalt. Heerlijk; meiden onder elkaar, mijn Nederlandse nationaliteit maakt geen verschil en ik voel me thuis, geborgen, gezien en begrepen. --
Ik geef Simon het handgebaar voor 'kom, we gaan' en hij volgt gedwee. Ik moet stiekem lachen, het is een man, een echte.
Ik rijd naar de gorges op een macho-manier, alle toys voor boys liggen me na aan het hart, de rally op het bospad maakt Simon tot een zwijger en ik geniet er stiekem wel een beetje van. Och goshie.
Toch blij dat ik voor de laatste kilometer alleen in de auto zit rijd ik door in z'n eerste versnelling om van de spreekwoordelijke ruimte te genieten in de kleine cabine.

u begrijpt dat de naam 'Simon' gefingeerd is!

Donders

Een stralende ochtend. Das mooi na 6 weken ononderbroken regen, bevroren bloesem, hagelbuien en late vorst. We maken plannen om er 's middags wandelend op uit te gaan. Pakken een rugtas in, eten op tijd macaroni tussen de middag en ik doe gelijk de afwas. Donders, de lucht trekt dicht tijdens de lunch. Even afwachten dan maar. Donders, het gaat nog echt wat rommelen in de verte ook. (PC's uit, want de bliksem slaat per definitie in, omdat we zo diep in de kloof wonen en onze leidingen heel on-Frans ondergronds liggen. We trekken ook gelijk alle stekkers overal uit, modem los van de telefoon!) Oh, dat komt met gezwinde spoed dichterbij. Hé, het gaat ook regenen. A la, goed voor de moestuin, dan brengen we de Blauwe even naar de garage in plaats van de wandeling, omdat die auto volgend weekend weer eens 2200 kilometer naar Nederland mag tuffen om de tigste keer spullen te verhuizen. Het zicht op de weg is nihil door het water dat naar beneden komt, het asfalt onzichtbaar door de stroom die de weg van de minste weerstand kiest; het asfalt. De ruitenwissers kunnen het niet aan en de luchtroosters laten zoveel regen door dat mijn voeten in slippers in luttele seconden doorweekt zijn. Donders, wat een lichtflitsen... bliksems nog an toe zeg!
Met gepast respect kijken we naar de hemel als we bij de garage even moeten wachten en rijd ik rustig aan naar huis. Thuis is de elektriciteit eruit geklapt. Dat hebben we nu eenmaal in de gorges waar het onweer naar toe getrokken wordt als ijzer op een magneet.
We zijn inmiddels wel gewend aan heftige buien en daverend onweer dat een halve dag blijft hangen zodat we uren zonder elektriciteit zitten. Maar deze bui kent zijn weerga niet. Denken we, donders!
Twee jaar geleden zat ik in Nederland toen Marc probeerde te bellen, mobiel nog wel. Ik kon hem maar net verstaan en de verbinding hielp ook niet mee. Later verhaalde hij dat hij echt een beetje bang was, dat de goden oorlog voerden of God gewoon even ontzettend boos was, een bui had zeg maar. Veel van deze buien spoelen de natuur wel lekker schoon, het komt zo snel naar beneden dat de uitgedroogde grond niet eens tijd heeft het op te nemen en de bergstroompjes barsten dan als koffie verkeerd dat over de pot heen loopt uit hun voegen.
Even kunnen we snel naar onze ingekomen mail kijken, maar beantwoorden kan niet, want donders, het begint wéér. Wederom klapt de elektriciteit eruit, maar we zijn tegenwoordig op tijd met alle stekkers. Na deze bui krijgen we het voor elkaar een film te kijken. Net na de film... gedonder en niet ver weg, maar pal boven het huis, donders! Snel de stekkers er weer uit en vlak voordat we daarmee klaar zijn floept het licht uit; geen stroom voor de derde keer vandaag. Het is na 22 uur, tis klaar, we gaan op tijd naar bed.
Ik krijg het voor elkaar mijn boek net uit te lezen en het licht uit te doen. Donders, wéér gedonder en wéér boven het huis. De knal die erop volgt is als een scudraket die inslaat en niet ver weg, nee hoor, ergens onder de notenboom in de moestuin, bliksems, een donderslag waarvan het stenen huis trilt. Don Quichot, ons kitten van 9 weken, schiet een 30 cm vanuit ligstand de hoogte in op mijn kussen en landt met vier pootjes op mijn gezicht waar hij zich met twintig nageltjes in mijn huid boort, goshie. Cros raakt nog net het schrootjesplafond niet. De donder houdt niet op... rolt voort en de bliksem doet gezellig mee, scheelt weer elektriciteit. Konden de wetenschappers dat maar in een grote batterij stoppen, dat zou een hoop fossiele brandstoffen schelen...
Tot de vonken uit de stopcontacten komen, dan ga ik toch mijn bed maar uit. Even beneden kijken of er niets in de fik staat met al dat hout boven en rond de stopcontacten. Cros en Joppie staan doodleuk te bedelen om brokjes naast de lege bakjes, ik vul ze bij, misschien dat ze zich wat veiliger voelen met een volle maag?
Ik ga terug naar bed, met een koplampje op, geen lamp zal willen branden nu er geen elektriciteit is. Marc komt maar even naar boven en gaat op het randje van mijn bed zitten. We ervaren deze godenoorlog. Het bombardement houdt niet op, de inslagen verlichten mijn kleine kamertje via het kleine raampje. We luisteren en beleven het on-weer.
Donders...Gebroken sta ik op. Het is mijn dag niet en ik doe verder weinig.

Le chasse

De jacht, ik heb er niets mee, maar ook niet tegen als inwoner van Frankrijk. Het is een heilig huisje, zeker op het platte land, waar je niet mee mag spotten en je er tegen verzetten is ook niet zo’n goed plan, zeker niet als je perceel midden in een groot jachtgebied ligt. De jagers zullen je op alle mogelijke manieren dwars gaan liggen en je integratieproces komt het ook niet ten goede. Of de voorzitter van de plaatselijke jagersvereniging is je buurman en beste vriend. Helaas, de voorzitter bij ons in de gemeente steelt stiekem lauze-stenen van ons als hij denkt dat we niet buiten zijn, omdat het regent. En als hij stilletjes voorbij komt in zijn super de luxe 4x4 en hij ziet iets van waarde, zal hij het zonder enige vorm van respect voor ons eigendom inladen onder het mom van ‘gevonden’. Nu is het jachtseizoen natuurlijk gesloten, dus waarom zou ik erover schrijven?
Welnu, om de volgende reden;
Vandaag wordt Thomas herdacht tijdens een sportevenement voor alle gemeenteleden, 550 zielen, met een gezamenlijke maaltijd ter afsluiting. Thomas was de oudste zoon van de eigenaresse van de dorpswinkel, net veertien geworden, en zal met zijn jongere broertje veel last hebben gehad van de schaamteloze affaire die zijn vader had met een dorpsgenote die ook een kind van hem heeft. De winkel is een familiewinkeltje al generaties lang in het bezit van haar familie, die laat je niet zomaar in de steek, want de inwoners met een gemiddelde leeftijd van 65+ kunnen niet allemaal even naar de stad verderop voor een broodje en een praatje. ‘Papa’ is hoofd van de brandweer, ook een functie met aanzien, ook hij kan niet zomaar vertrekken volgens de geldende oude plaatselijke normen en waarden, de plattelandscultuur in zo’n kleine gemeente waar iedereen elkaar nodig heeft.
Thomas was vroeg uit school, mams werkt in de winkel en pa zal of aan het werk geweest zijn of bij zijn 2e gezin, wie zal het zeggen. Hij heeft een leuk actief leven en vrienden natuurlijk, waarvan er één hem toefluistert dat hij wil gaan schieten met zijn vaders jachtgeweer dat toch maar in de kast staat het grootste gedeelte van het jaar. Veel jongens van net boven de 12 jaar mogen vaak mee tijdens de jacht, om het te leren en het is super stoer natuurlijk. Thomas en zijn vriend vertrekken op die mooie middag eind mei naar een veldje achteraf, vriendje laadt het geweer met kogels geschikt om volwassen wilde zwijnen mee af te schieten. Vriendje legt aan en schiet, het bos in dat erachter ligt. De kogel ketst af op een steen en treft Thomas in het gezicht. Ik zal u de details verder besparen, de verhalen zijn gruwelijk.
In zulke gevallen worden de pompiers (brandweer) als eerste gebeld, dus die zijn als eerste ter plaatse. Het is Thomas zijn eigen vader die hem levenloos aantreft. Het gebeurd een week voor het grote dorpsfeest dat drie dagen duurt, zijn moeder is hoofd van het plaatselijke feestcomité, maar u begrijpt het wel; het hele feest gaat niet door.
De doorwerking van dit drama heeft geen einde, tot voorbij de volgende generatie, de kinderen van het broertje van Thomas, zal dit bijgeschreven worden als Geschiedenis. Ook het jaarlijkse kersenfeest zal een extra lading meekrijgen.
De vriend van Thomas, wordt niet als schuldige aangewezen, het was tenslotte een ongeluk. Maar ook dat gezin is stuk, kapot, hun leven net zo verwoest als dat van Thomas’ moeder. Zijn ouders hebben het busbedrijf, ook al sinds de jaren dat de kleinste schooltjes gesloten werden om de grote school in het dorp open te kunnen houden in verband met de leegloop van de regio. Ook zij kunnen hun bedrijf in deze economische tijden niet verhuizen of overdragen, ook zij moeten onderdeel blijven van de eenheid, het grotere geheel.
En de jacht? Die ging afgelopen winter gewoon door. Weer een mooi record is er gevestigd; 48 zwijnen en een stuk of 35 reeën, smakelijk eten!
Het geval ‘Thomas’ staat niet op zichzelf. Vele gevallen per jaar!! En ik heb niets tegen de jacht, maar ben zeker ook niet voor. Een stelling innemen als vreemdelinge die waarschijnlijk nog afhankelijker is van de goodwill van de locals dan de locals zelf, durf ik niet. Het klinkt laf, is het misschien ook wel, maar ik zal niet in staat zijn om het heilige huisje van een steentje te ontdoen, een krasje te trekken op de stevige buitenmuren, laat staan het omver te schoppen met wat als resultaat?
Ik ga me zo sportief aankleden en met open en gepast gemoed naar het voetbalveld. Ik ga aan alles meedoen, al bak ik er niks van. Ik zal hem eer aan doen en laten zien dat hij ertoe deed, als 14 jarige sportieveling, maar ook als herinnering in het hart van die vreemdelinge die het meest afgelegen woont van al die 550 zielen, oh nee, 549!

druk-druk-druk

Eerlijk wil ik altijd zijn. Zeker over het wonen en leven in Frankrijk. De meeste van mijn lezers weten het wel en begrijpen het waarschijnlijk ook prima, zo niet gewoon heel goed.
Er zijn natuurlijk uitzonderingen en ik ken maar één stel, gepensioneerd en nu ruim een half jaar definitief inwoners van dit prachtige land. Maar verder.... nee, wonen als goden in Frankrijk? Als Nederlander? Zo werkt het niet.
Het beeld dat de meeste Nederlanders schijnen te hebben van wonen in Frankrijk is nogal idyllisch te noemen. Mooi huis met alle comfort, een veranda en anders een leuk terras met grote parasol die door geen stormwind omver te blazen is. Iedere dag de zon, geen strenge winters, alleen indien nodig 's nachts een buitje en dat heerlijke stokbrood met een wijntje en worst en kaas erbij, elke dag natuurlijk. Uiteraard maak je makkelijk goede vrienden die Hollanders en hun cultuur reuze interessant vinden en waar je goed mee kan bomen.
Dat dat brood je strot uit gaat hangen, niet vult en elke dag vers gekocht dient te worden staat niet in de boekjes. Dat alle Nederlanders in Frankrijk die wij hebben leren kennen afgelopen jaren er nogal hard aan moeten trekken en veel tegenslagen kennen, zoals ieder mens, eigenlijk ook niet. -Ik heb het niet over de tranentrekkende Ik-Vertrek-Drama's uitgezonden door de commerciele zenders.-
Het kan hard vriezen in het zuiden van Frankrijk, nog sneller dooien en omslaan tot noodweer, zodat campings leeg spoelen, er nieuwe ravijnen ontstaan, je kelder vol staat, je onbereikbare waterleiding kapot gevroren is, je wasdroger non stop staat te draaien, je uren moet rijden voor een speciaalzaak voor het één of ander. Het internet is nog steeds een drama en niet alleen op het platteland. De oh zo rustieke dorpjes en schattige boertjes-met-alpinopet-en-stokbrood onder de arm met hun gebloem-jurkte vrouwen-met-overgewicht naast zich, keren je na jaren nog de rug toe en kunnen je wonen-in-Frankrijk aardig verzieken, ook al spreek je inmiddels vloeiend Frans, heb je ook zo’n bloemetjesschort in je kast hangen en eet je tussen de middag een warme maaltijd.
We komen ze nog steeds veel tegen, niet fysiek; kennissen en 'vrienden' die ons verwijten dat wij maar niet schijnen te begrijpen dat zij het zo druk hebben in Nederland, als je ze eens een keer om hulp vraagt wat ze toch echt aangeboden hebben. (Ook dat ze eens langs komen tijdens een vakantie in Frankrijk, we hebben ze nog niet gezien en wonen hier al ruim 3 jaar.)
“Wij hebben het echt te druk hoor, sorry” Ja heus, want ze moeten naar een verjaardag van die en die, en een weekend naar kennissen in Friesland en ze hebben die week erop een concert. De kinderen komen dat weekend en ze moesten paasboodschappen halen voor 'eters', dat kost een hoop tijd. "Daar hebben jullie natuurlijk allemaal geen last van!"
Dan breekt onze ouderwetse Hollandse klomp, want klompen kennen ze hier ook en ik vind ze persoonlijk mooier. Nee, daar hebben wij geen last van, geen kinderen met een ex, geen familie-verjaardagen, geen theater of concerten, ook geen feestdagen-eters en andere zo leuke verplichtingen. Want zo durven de meeste dat onder ons toch wel te noemen, in vertrouwen.
Waar hebben we dan wel last van? Dat we geen tijd hebben om gezellig sociaal te niksen, want anders hebben we het koud, staan er tig teiltjes en pannetjes her en der, worden de dakstenen gestolen bij gebrek aan andere middelen dan een rug om ze de 45 graden-helling af te sjouwen voordat die boer ze met een trekker wegneemt, stiekem als het regent en hij denkt dat we gezellig binnen sociaal zitten druk te zijn. We hebben last van de moesson, de late vrieskou en de hagelbuien, want door dit weer hebben wij geen groente eind van het seizoen, om van geen jam maar niet te spreken, want die hagel heeft de bloesem vernielt. We hebben geen tijd om kerstfreubeltjes te plakken en te schilderen, want die dode bomen moeten gezocht en om. Ow, even kloven, 40 kub, doen we ff. We hebben ook geen tijd om iedere dag een uur te rijden om dat stokbrood bij de bakker te kopen dat uit de diepvries echt gereduceerd is tot vissenvoer. En ja hoor, we hebben hier zelf voor gekozen, we genieten er zelfs van, want als die zon dan schijnt of we hebben een gast die ons verrast met twee helpende handen, dan kunnen wij een tukje doen op het buitenbed, een wijntje bij de maaltijd tussen de middag, elke dag als we willen, ook al is het bocht van een euro per liter. En verse eigen eitjes en ontroerd worden door de dorpsgenoten die ons wel geaccepteerd hebben, omdat we er veel tijd in stoppen om ons aan te passen. Je kunt het er maar druk mee hebben, met het leven zelf.
Allemaal eigen keuze, net als de kennissen en vrienden die het zo druk hebben met "een verjaardag van die en die, en een weekend naar kennissen in Friesland en ze hebben die week erop een concert. De kinderen komen dat weekend en ze moesten paasboodschappen halen voor 'eters'".
Ook zij hebben de keuze, ook al lijken ze zich dat niet te beseffen.
Wonen en leven, werken en integreren, de vrijheid, ruimte en rust waarvoor wij kozen, dat geklooi op, in en rondom een oud stenen cottage op een steile boshelling, is voor ons net zo logisch en net zo 'druk' als wiens leven dan ook.
Soms wens ik me een gepensioneerde met alles in kannen en kruiken, maar ik zou me al snel stierlijk vervelen en het weer druk gaan hebben met een verjaardag -van die boer-met-alpinopet en zijn gebloem-jurkte vrouw-, een weekend erop uit in een standaard camper -om er even uit te zijn natuurlijk-, dat concert 230 kilometer verderop, het ontvangen van die kennissen die nieuwsgierig zijn en een gratis B&B verwachten en natuurlijk de boodschappen voor het paasdiner.

surrealisme

Het is donker en stil en het dorpsstraatje wordt enkel verlicht door de kleine subtiele straatlantaarns die wat 19e-eeuws aandoen met hun eenvoudige zwarte staander en een geblokt frame met crème matglas erin. Het werpt een zacht schijnsel op de muren en de straat. Alles drupt, glinstert, nat van de regenbui die gestopt is zodra ik Daniëlle achterlaat met haar stokoude poedeltje na een klein glaasje rode wijn, of drie. Het is na half 12 ’s avonds en ik laat mijn ogen dwalen over de lage muurtjes met kleine varens, mossen en bloeiende valeriaan begroeid. Ik loop even een stukje naar boven om een blik in de verte te werpen. Kleine lichtjes laten zien dat daar in de verte ook geleefd wordt, verder is het uitzicht een diep groot zwart gat. Het regent eventjes niet en alles drupt z'n overtollige regenwater van zich af. De krekels doen zich te goed aan al die druppels en roepen onderwijl om een partner. De uilen laten elkaar weten in welk stukje boshelling ze deze nacht hun muizen gaan vangen en een grote vleermuis vliegt geruisloos zijn rondjes rond de kasteeltoren. Zijn vliegjes en vlinders, een kostelijke maaltijd als je het mij vraagt, worden zichtbaar gemaakt door de oranje maar toch passende verlichting op de toren. Ik loop op mijn gemakje zo zachtjes mogelijk de keienstraat af naar de kleine parkeerplaats die ruimte heeft voor 6 auto’s voor toeristen, maar nu leeg is op onze Landrover na, die nooit op slot hoeft en waarvan de sleutels gewoon in het contact blijven. Als hij in de weg staat, mag iedereen hem verplaatsen, zo werkt dat hier. Mijn ogen kunnen er niet omheen; glimwormpjes! Niet één, nee tientallen. Verstopt en toch ook weer niet, glimmen ze groenig en geel in de lage muurtjes naast de straat. Ze stoppen met glimmen als je met teveel geluid bij ze in de buurt komt, terwijl de overige glimmers mijn aanwezigheid nog niet door hebben en lieflijke dwaallichtjes lijken, me naar de rand van de muur lokken, om er overheen te stappen en te vallen?? Ik heb nog nooit glimwormpjes gezien en wist pas laat dat zelfs vuurvliegjes echt bestaan. Nu zo tussen zoveel lichtjes te staan in dit charismatische dorpje met zijn kolossale kasteel, doet mijn adem stokken en de tijd verstommen, weer twijfel ik of ik echt wel leef, besta, hier sta, en hier ook nog eens woon om zo gewoon naar huis te rijden, naar dat andere onwerkelijke plekje. Even laat ik mijn aandacht verslappen en kijk voor me uit. Onder me staat het huis van godfather Felix, die de helft van de heuvel bezit waar dit dorpje op gebouwd is, met zijn enige en doodlopende straat. Letterlijk dood lopend, aan het einde ervan bevindt zich de begraafplaats, daarna een rotsige steile helling naar beneden, diep de gorges in. Zijn huis is ieder seizoen versierd met de staarten van de wilde zwijnen die hij schoot die winter, jachttrofeeën met een houten bordje erboven met het jaartal erbij. Felix is een fervent jager, zijn eeuwige opponent is fel tegen de jacht, als schapen bezitter en eigenaar van de andere helft van de heuvel. Een familie-oorlog die, horen we later, al generatie op generatie heeft geduurd en nu op z’n einde is, omdat Felix te oud wordt voor de oorlog en Roger, zijn vijand en buurman, geen kinderen heeft. De blinde muur met schoorsteen is verder opgeleukt met wat traditionele boeren snuisterijen. Je moet als godfather toch wat om het dorpje levendig te houden en aantrekkelijk voor bezoekers die weer wat geld in het laatje brengen voor het onderhoud van die ene straat en het kerkje. Moderniteiten ontbreken, zeker nu tegen middernacht zonder zichtbaar mensenleven. Niets in mijn blikveld dat duidt op de tegenwoordige tijd. Geen auto's, geen elektriciteitsleidingen of satellietschotels, geen tv-schijnsel. Niets dan enkel de middeleeuwse huizen met gesloten luiken, de steen voor steen gelegde natuurlijke straat en begroeide muren. Waar ben ik eigenlijk, hoe laat is het? Welke dag dient zich over een paar uren aan?? Welke eeuw leef ik eigenlijk? Daar sta ik dan alleen in alle rustige veiligheid. Surrealisme maar toch zo reëel dat ik het niet echt bevatten kan. Dit is 'ons' dorp.... en als ik morgen wakker word is het er nog, dan zijn de luiken open en rijdt er toch weer een auto door de straat. Maar nu even niet. Nu hoef ik ook niet te weten waar ik ben of hoe laat het is. De realiteit is verre van relevant en met die wetenschap stap ik de auto in, start de diesel en ga naar huis. Met nog een beetje hoop op een gesprekje met die dikke pad op het barterras en een knipoog naar de vuursalamanderfamilie rond de overloop van de bakken met bronwater.

sprookjesmeer

Dit is de 4e lente die ik hier mag beleven. De 4e keer dat ik alle wilde bloemen zie bloeien, de 4e keer dat ik mijn best doe de honderden escargots niet per ongeluk dood te trappen als ik door de moestuin loop. Maar niet de 4e keer dat ik het lang gerekte stuwmeer, dat er vaker als rivier uitziet, omdat we bij de ‘inlaat’ wonen, bedekt zie met een sluier van mist. Het lijkt windstil en ook het water rust in de stilte van de schemering. Zelden zie ik dit sprookjesmeer, een koel meer, een stil meer en na een verlate boterham die ik haastig na negen uur ’s avonds wegspoel met een glas melk, loop ik naar beneden. Het pad langs het stalletje dat ik eergisteren maaide om ons een doorgang te geven zonder door de brandnetels geplaagd te worden of gegrepen door de bramentakken die nu heel snel groeien door de lentemoesson die we nu bijna achter de rug schijnen te hebben. De katten hobbelen achter me aan, die hebben zich 6 weken nogal verveeld door het schuilen voor de regen, op de bank of elkaar opjagend en stoeiend. Onze mix Border Collie - Fox Terriër ‘Castel’, is me al ver vooruit, zij wil zwemmen, en anders dollen aan de waterkant, voornamelijk met zichzelf. Het blijft adembenemend, de lucht is zwaar en drukkend, mugjes dansen boven de oeverbegroeiing, dat eind van het seizoen een zee van witte bloemen laat zien. Wat margrieten, pinksterbloemen en hier en daar een boterbloem zijn een sprankelende afwisseling. Maar mijn blik zal gevangen blijven door de mist die een witte zachte spiegel vormt voor de bomen die de aanleg van het stuwmeer niet overleefd hebben en als grillige dode wakers in het water staan. Zelden is dit het plaatje dat alleen ik zie, want verder niemand kan op deze plek bij het meer komen, niemand woont hier verder, alleen ik en mijn man, samen en alleen, want wat mijn ogen zien, zien de zijne niet, en vaak andersom. Geen vogel zingt meer, andere insecten dan muggen en een motje hier en daar rusten al op een bloem of onder een blad die nu dik en vol sappen zitten, voor hen is het de 1e lente en tevens de laatste.
Ik blijf me bevoorrecht voelen hier te mogen zijn. Alles dat wij opgaven, de faillissementen die we maar niet te boven kunnen komen, het goedverzorgde van Nederland dat we los lieten en dezelfde structuur die voor handen is in Frankrijk die we niet aan wilden gaan, met dit als invulling van de gevreesde leegte. Ik leef in de leegte die zo vol is van rust, stilte, inspiratie, geluid, van water en lucht, aarde en hout, vuur en hemel, wind en zon, warmte en kou, dat het vaak doet duizelen. Nu even niet, aan de rand van het meer, de grens van onze ‘achtertuin’, nu ben ik één met het andere.

Blog Landen